De Oostmolen

De Molen van Kloetinge.

De molen is naast de klomp en de tulp het meest bekende beeldmerk van Nederland. Dit gaat zeker op voor de molen van Kloetinge. De Kloetingsemolen staat aan het begin van het dorp en is samen met de kerk beeldbepalend voor de omgeving.

Oostmolen

De Oostmolen, beeldbepalend voor de omgeving.

Ieder dorp had een of meerdere molens; zo waren er in 1451 in de heerlijkheid Kloetinge 4 molens. Namelijk de Oost-, West-, Noord-, en Abbekinderenmolen. Rond 1453 werd hier nog een nieuwe bijgebouwd. Kosten hiervan ongeveer 40 ponden (1 pond had de waarde van 6 gulden) In 1455 werd de Abbekinderenmolen verkocht voor 18 pond zodat het totaal aantal molens op 4 bleef.

Op de plaats van de huidige molen stond in de 15e eeuw reeds een molen, waarschijnlijk de Oost Molen, doch de huidige molen is in 1704 gebouwd. De molen staat enigszins verhoogd op een “meulenberg” en is een stellingmolen. Het verhoogd zetten van een molen en voorzien van een stelling (balie) werd voornamelijk gedaan om optimaal gebruik te maken van de wind.

Door boven de daken van de huizen en bossage uit te komen was er geen “valse” wind voor de molen. De molen werd gebouwd als opvolger van zijn voorganger, een standerdmolen, die bij de beruchte orkaan van 8 december 1703 omwaaide. De Ambachtsheer, eigenaar van de molen, zat niet bij de pakken neer en liet meteen in 1704 de huidige molen bouwen. Hij is bijzonder sterk uitgevoerd en technisch een goed ontworpen molen. Ook het metselwerk van de muur is grote klasse.

Die orkaan is bekend als de zwaarste van die hele 18e eeuw (J. Buisman). In Zuid Engeland was zeer veel schade. In de Zaanstreek verongelukten verscheidene molens en ook de standerdmolen buiten Sommelsdijk (Overflakkee) raakte zeer zwaar beschadigd; diens opvolger, gebouwd in 1705 lijkt uiterlijk veel op die van Kloetinge.

Op 2 februari 1811 verkocht de Ambachtsheer, Hubert Marinus van der Bilt van Kloetinge, de molen aan ‘Sieur’ Pieter Remijn, molenaar wonende te Goes voor 12.698,41 Francs, overeenkomend met 6.000 Gulden ‘Hollandsch geld’, te betalen in ‘klinkend grof geld’, ten overstaan van notaris Franciscus Henricus Wagenaar. Die was ‘Keizerlijk Notaris’ (de keizer was Napoleon) van het tweede Arrondissement van het Departement ‘Bouches de l’Escaut’. Eraan verbonden wordt de verplichting tot het om niet leveren van 80 liter, zijnde een zak, tarwemeel aan de Gildebroeders van den confrérie van St. Sebastiaan te Kloetinge ‘telkens bij het houden van derzelver blijde maaltijd’. De koopakte is in het Frans en Nederlands gesteld. Nederland was toen ingelijfd bij Frankrijk en Zeeland was het Departement ‘Bouches de l’Escaut’ (Scheldemond). Een kopie van de koopakte bevindt zich in het archief van de Stichting.

Daarna wordt de molen op 19 oktober 1826 verkocht door Pieter Remijn, aan Arend Herdink, chirurgijn wonende te Wolphaartsdijk. De koopsom is ‘9.000 Guldens Nederlandsch, mitsgaders 150 guldens voor de daarbij behorende losse goederen’. De koop gaat in op 1 januari 1827 vóór welke datum de koopsom moest worden voldaan. Het origineel van de onderlinge koopakte wordt bewaard in het archief van de Stichting.



Share

Geef een reactie